Interview Hilde Verbeek

Interview Hilde Verbeek

Volgens hoogleraar Hilde Verbeek is het nodig dat we de huidige discussie over ouderenzorg “helemaal anders moeten gaan voeren”. Zij denkt daarbij o.a. aan de mogelijkheden van kleinschalige woongemeenschappen, midden in onze samenleving, waarbij ouderen zo lang mogelijk onderdeel blijven uitmaken van de vitale gemeenschap.

“Zorgomgeving voor kwetsbare ouderen”, een term die door Hilde Verbeek veel gebruikt wordt. Met name hoe deze zorgomgeving het dagelijks leven en functioneren van deze kwetsbare groep mensen beïnvloedt. Hilde is hoogleraar Long-Term Care Environments aan de Universiteit Maastricht, en haar leerstoel is gevestigd binnen de Academische Werkplaats Ouderenzorg Limburg. Deze leerstoel is mede mogelijk gemaakt door MeanderGroep Zuid Limburg.

Verpleeghuiszorg is geen eiland op zich…

“Zo werkt dit niet, dit moet anders!”

We ontmoeten Hilde Verbeek op haar werkkamer aan de Universiteit Maastricht – een sprankelende, energieke persoonlijkheid die met aanstekelijk enthousiasme haar verhaal doet. Hilde heeft 17 jaar geleden in Maastricht de studie Neuropsychologie voltooid waarna zij op deze universiteit ook gepromoveerd is in de verplegings- en zorgwetenschappen. Haar liefde voor “de oudere” is ontstaan tijdens een stageperiode in een psychiatrische instelling. Hier kwam ze in aanraking met deze kwetsbare groep mensen. Het zien van de precaire situaties waarin sommige ouderen zich bevonden en de onprettige herinneringen aan haar oma die in een ouderwets verpleegtehuis woonde wakkerden haar passie voor onderzoek in de zorg aan. Ze wil zich sterk maken voor een andere ouderenzorg en daarbij vooral bezig zijn in de praktijk, waarbij onderzoek doen voor en met de oudere medemens, haar passie heeft. Op het juiste moment kwam de vacature “kleinschalig wonen voor mensen met dementie” voorbij en Hilde’s interesse was gewekt.

Hilde : “Aan de ene kant hebben er nu nog nooit zoveel mensen in de zorg gewerkt terwijl er aan de andere kant wordt geroepen dat er tekorten zijn in de zorg, ouderenzorg waarvan de kwaliteit nog nooit zo laag beoordeeld werd.”

Paradox in de zorg

Gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek en uit ervaring blijkt dat er geen relatie is tussen het aantal medewerkers en de kwaliteit van de zorg. Er bestaat wel een relatie tussen kwaliteit van de zorg en zaken als teamcultuur en leiderschap. Daar is volgens Hilde nog een wereld te winnen door bijvoorbeeld de zorgomgeving als woon- en leefomgeving in te richten waarbij de dagelijkse indeling van taken, rollen en verantwoordelijkheden flexibeler kan verlopen. “Heb de flexibiliteit en de rust om als zorgmedewerker tijdens jouw pauze koffie te drinken aan tafel, gezellig met collega’s en bewoners samen, in plaats van vast te houden aan rigide planningen en ritmes. Dit komt de sfeer en onbevangenheid in de huiskamer ten goede”.

“Ik ben ervan overtuigd dat in de toekomst sommige zorgvragen niet meer nodig zullen zijn.”

Denk daarbij aan inzet van technologische hulpmiddelen bij het aantrekken van steunkousen tot aan het op een andere manier inzetten van personeel. In plaats van veel tijd kwijt te zijn aan rapportages en terugmeldingen in de zorg (“waar word ik op afgerekend?”) meer nadruk leggen op de inzet van de kwaliteit en kracht van de zorgmedewerker. Ritmes en routines van de organisaties bepalen voor een groot gedeelte nog het handelen van medewerkers en het dagelijks leven van de oudere. Anders denken en werken in de zorg wordt de oplossing: “het traditioneel medisch model schaalt niet, als we alles blijven doen hoe we het altijd deden lukt het niet meer in de toekomst en draagt het niet bij tot kwaliteit van leven voor de persoon met dementie”.

Hilde noemt als voorbeeld de persoon met dementie die verhuist naar het verpleeghuis en waarbij hem of haar meteen alles uit handen wordt genomen en de mogelijkheid om zelf nog iets op te pakken of te leren -onbewust- wordt ontnomen. Boterhammen worden gesmeerd, geserveerd en bij onvastheid ter been wordt al vrij snel in het kader van de veiligheid een looprek of rolstoel aangeboden. Daarbij hebben de bewoners, vaak ook door een geïsoleerde ligging, nog maar weinig contact met de lokale gemeenschap en komen niet veel buiten. De termen intra- en extramuraal krijgen zo een extra negatieve lading en dragen ook bij aan het schrikbeeld dat er heerst bij het noemen van het woord “verzorgingstehuis”. Hilde gelooft dat het ook anders kan.

“Zolang mogelijk thuis wonen is geen optie.”

Het proces is verkeerd ingericht, mensen worden te laat en onvoldoende betrokken bij de mogelijkheden die er zijn om een mooie en zinvolle oude dag te kunnen beleven. Deze onwetendheid eindigt vaak in een overhaaste en traumatische verhuizing naar het verpleeghuis waar de resterende tijd van leven een tijd is van onprettige verwarring en snelle aftakeling. Er zijn namelijk  ook tussenvormen mogelijk; in plaats van een late verhuizing naar een regulier verpleeghuis kan het éérder kiezen voor  kleinschalig wonen en ander innovatieve zorgomgevingen een woonoplossing bieden waar men zich beter thuis kan voelen. Focus daarbij vooral op zorg die past bij de levensgeschiedenis, voorkeuren en behoeften van de persoon met dementie en gebaseerd op “wat ik nog wel kan”. De vroege verhuizing naar een andere woonomgeving vindt dan plaats op een moment dat de persoon met dementie zich nog redelijk goed voelt, hij of zij beter kan acclimatiseren en  – niet  onbelangrijk – een mogelijke overbelasting van de mantelzorger voorkomen kan worden.

Het actuele zorgtekort gaat uit van het “zorgmodel”, het zorgen voor en helpen van de persoon met dementie. Maar een andere manier van denken is nodig waarbij de mensen met dementie -al op een eerder moment- meedraaien met en ingepast worden in het dagelijks leven van de gemeenschap. Daarbij zal bij de nieuwe bewoner minder uit handen genomen worden (letterlijk en figuurlijk) en autonomie en zelfstandigheid gestimuleerd worden. Dan is er uiteindelijke minder zorg nodig en wordt tegelijk de kwaliteit van leven van de oudere verbeterd. Denk daarbij aan woongemeenschappen waarbij ouderen veel buiten komen, meebeslissen en onderdeel blijven van onze vitale gemeenschap. Het psychosociale welbevinden van de persoon met dementie wordt zo bevorderd en draagt bij tot een zinvollere en vooral mooiere oude dag. Niet onbelangrijk, ook de zorgprofessional zal uiteindelijk, bij deze nieuwe aanpak van inclusief wonen en werken, zijn baan als aangenamer en minder belastend gaan ervaren.

Er bestaan interessante initiatieven om matches te maken van verschillende groepen mensen, o.a. ouderen en jongeren, die samen wonen en positief functioneren. Deze staan echter nog wel enigszins in de kinderschoenen; het commitment dat gevraagd wordt is groot en bij veel mensen in onze maatschappij leven er nog velerlei stigma’s rondom oudere of zieke mensen. Interactie en bevredigend samenwonen is nog niet vanzelfsprekend. “Belangrijk in dit proces is dat we de rol van de persoon met dementie ook als een gevende rol moeten zien, als een meer gelijkwaardige partner, niet alleen een vragende. Bijvoorbeeld het betrekken van de oudere bij kinderen en scholen.  Dit  soort projecten staan of vallen met de betrokkenheid van personen die de gemeenschap bij elkaar houden, en initiatieven ontplooien waar mensen zich door uitgenodigd voelen”.

“Het is essentieel om open-minded te denken en te leren van andere disciplines.”

Hilde doet onderzoek naar dit inzicht op verschillende locaties in Nederland om tijdens dagelijkse bezigheden minder taakgericht te werk te gaan maar meer in geluksmomentjes voor de bewoner te geloven. “Het is interessant om de werktaken breder te zien, dat betekent niet alleen een takenlijstje afwerken, maar ook om een zo natuurlijk mogelijk woon- en leefomgeving te creëren”. Ook Ouderenlandgoed Grootenhout (zie ons interview met Francien van de Ven in de vorige nieuwsbrief) draait mee in dit wetenschappelijk onderzoek van Hilde. Tijdens deze observaties kijkt men, ook met behulp van een plattegrond, waar de bewoners zich fysiek op het landgoed bevinden en bewegen, wat ze doen en met wie, welke interacties ze aangaan, en er wordt een notitie gemaakt van het emotioneel welzijn van de bewoner op dat moment. Vooral de keuze om naar buiten te kunnen gaan is belangrijk, zo blijkt, ook om zintuigen te prikkelen, buitenlucht en wind op je huid te voelen en de geuren van bloemen en planten op te kunnen snuiven.

Bij deze omslag is het essentieel voor de zorgorganisatie om open-minded te denken en te leren van andere disciplines. Zogenaamde inter- en transdisciplinaire samenwerkingsverbanden tussen de verschillende wetenschappelijke disciplines, ouderen en hun naasten, zorgprofessionals, bestuurders, docenten, studenten, zorgverzekeraar en architecten zijn een randvoorwaarde. “Verpleeghuiszorg is geen eiland op zich, kijk om je heen naar plannen van de gemeente, houd rekening met de initiatieven voor dagbesteding en ontmoetingsplaatsen om eenzaamheid onder ouderen tegen te gaan”. Het interdisciplinair en transdisciplinair werken zijn een belangrijk aandachtgebied voor Hilde. Ook in haar rol bij De Jonge Akademie van de KNAW houdt ze zich hiermee bezig. Het is niet vanzelfsprekend dat dit gebeurt of altijd goed gaat – het vereist een interesse in andere denk- en werkwijzen, maar ook geduld en doorzettingsvermogen.

“Gebruik van goede technologie kan veel betekenen, waarde toevoegen, maar ook daar moeten we kritisch op blijven.”

Gebouwde omgeving en het gebruik van warme technologie kunnen elkaar goed aanvullen, denkt Hilde. Maar op dit moment is er is een verandering in het denken nodig wat betreft het gebruik van meer traditionele technologie in de gebouwde omgeving. De gebruikte technologieën in de bouw worden nu nog vaak beperkt tot veiligheid en surveillance doeleinden, zoals we vaak toegepast zien worden in het ontwerp van smart homes. “Een overkill aan alarmsignalen klinkt letterlijk en figuurlijk in de zorg, en als de dagelijkse bezigheden van de verpleging zich vooral gaat afspelen in een observatiepost wordt dit door iedereen als gebruikersonvriendelijk en onwenselijk ervaren”. Als daarentegen zorgtechnologie op een natuurlijk manier deel wordt van – en geïntegreerd wordt in – de gebouwde omgeving, waarbij de persoonlijke wensen van de bewoner centraal staan, zullen technologische interventies door alle betrokkenen makkelijker geaccepteerd worden. Technologie heeft potentie, maar moet geen doel op zich worden. Technologische snufjes die nergens echt een oplossing voor bieden moeten voorkomen worden. “De mensen die met de technologieën gaan werken moeten vaak ook nog de waarde en het nut gaan inzien, dan heeft het gebruik van warme technologie in dementiezorg pas echt potentieel.”

“Eten verbindt en je kunt erover praten.”

Met haar grote gedrevenheid om het wonen en werken in de zorg te veranderen vragen we Hilde of er ook nog barrières zijn in het verwezenlijken van haar visie. Ze is even stil en denkt na: “Het is soms moeilijk om niet cynisch te worden, als je soms ziet hoe langzaam mensen veranderen of hoe moeilijk of omslachtig processen in de zorg en daarbuiten (alle partijen die nodig zijn voor de verandering) zijn ingericht. Maar dan helpt het om te beseffen dat we allemaal – ieder vanuit het eigen perspectief – weldegelijk het beste willen voor kwetsbare ouderen. ” Tenslotte vragen we Hilde naar een beschrijving van haar “ideale omgeving” waarin zij ooit zelf oud hoopt te worden: “Ik stel me een collectieve omgeving voor, met veel gelegenheden om andere mensen te ontmoeten op een veilige en beschutte locatie. Ergens midden in het gewone leven met onbegrensde mogelijkheden om naar buiten te kunnen gaan. Ik ontdek graag nieuwe dingen, andere culturen. Onder andere koken en eten worden de ankerpunten van de dag, het kiezen van het menu, koken, ruiken en proeven en natuurlijk het gezamenlijk opdekken van de tafel. Omdat je samenwoont met steeds minder mensen die je nog van vroeger kent is het prettig om aansluiting te kunnen krijgen, nieuwe dingen uit te proberen en een beetje houvast te vinden tijdens gezamenlijke activiteiten. Oprechte aandacht en interesse voor elkaar werken heel positief en er komt een goed gesprek op gang.”

Ans Tummers-Heemels, Wijnand IJsselsteijn.

Foto van zorgboerderij Grootenhout
De Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW)